Namen van God
                       in het Oude Testament

8) Jahweh Zebaoth (HERE der heirscharen)

  In het vorige artikel hebben we gezien dat de namen Adoon, Adoniem
  en Adonaj (Here) de nadruk leggen op de rechten die God op deze
  aarde heeft. In dit artikel willen we nadenken over da naam Jahweh
  Zebaoth, waarin ons in het bijzonder de macht en majesteit van God
  worden getoond, vooral verbonden met zijn regering op aarde.

  De naam Jahweh Zebaoth wordt in het Nederlands weergegeven door de
  vertaling 'Here der heirscharen'. De naam Jahweh hebben we in het
  derde artikel al overdacht en we hebben daar gezien dat dit de naam
  is van de God van het volk IsraŽl. Het is niet geheel duidelijk of
  het woord Zebaoth nu ook een eigennaam is of dat het woord al
  vertaald moet worden. In de oude Griekse vertaling van het Oude
  Testament, de Septuaginta, is de Godsnaam Jahweh Zebaoth soms
  vertaald door pantokratoor, de 'Almachtige' (voornamelijk in
  Jeremia en de kleine profeten), en af en toe door kurios toon
  dunameoon, 'Heer van de krachten', maar in de boeken 1 SamuŽl en
  Jesaja is het veelal onvertaald gelaten (vgl. ook Rom. 9:29 [=Jes.
  1:9] en Jak. 5:4). Maar gezien het feit dat het Hebreeuwse woord
  zebaoth in het Oude Testament ook als gewoon zelfstandig naamwoord
  wordt gebruikt met als betekenis 'heirscharen', ligt o.i. de
  vertaling 'Here der heirscharen' toch het meest voor de hand.

  Het Hebreeuwse woord zaba (meervoud: zebaoth) komt oorspronkelijk
  uit het Assyrisch (zabu) en heeft als basisbetekenis 'een groep
  mensen', en dan nader: 'een ploeg arbeiders', 'een troep soldaten'.
  Op veel plaatsen in het Oude Testament heeft dit woord dan ook een
  militaire betekenis (het bijbehorende werkwoord wordt soms zelfs
  door 'ten strijde trekken' vertaald; zie bijv. Num.31:7), maar niet
  overal. Zo is het bijvoorbeeld in Job 7:1 en 14:14 gewoon door
  'dienst' vertaald, en ook de dienst van de Levieten in de tent der
  samenkomst en die van de vrouwen bij de ingang van de tabernakel
  wordt ermee aangeduid (Ex. 38:8, Num. 4:23;8:24; 1Sam. 2:22).
  Maar op de meeste plaatsen worden met het woord zaba of met het
  meervoud zebaoth 'legerscharen' of 'legers' bedoeld en is het
  derhalve ook zo vertaald (zie bijv. 2Sam. 8:16;10:7). Deze dubbele
  betekenis treffen we ook aan in de naam Jahweh Zebaoth. Jahweh
  Zebaoth is soms de God die 'een krijgsheer (zaba milchamah)
  monstert' (Jes. 13:4), maar op andere plaatsen ligt er geen mili-
  taire ondertoon in de naam (bijv. Jes. 47:7; Hos. 12:5-6).

  Als God Zichzelf Jahweh Zebaoth, 'Here der heirscharen' noemt, dan
  is het vanzelfsprekend nuttig in de Schrift te onderzoeken wat dan
  wel onder die 'legerscharen' wordt verstaan. In de Bijbel worden
  hier drie groepen mee aangeduid. Ten eerste lezen we in Ex. 12:41
  dat het volk IsraŽl de 'legerscharen (zebaoth) van Jahweh' wordt
  genoemd (vgl. ook 6:25; 7:4; 12:17,51). In het boek Numeri lezen we
  dat de IsraŽlieten naar hun stammen ingedeeld waren in legerscharen
  (zebaoth) 1:3,52; vgl. vs.20,22,24,26,28,30,32,35,36,38,40,42,45:
  'allen die in het leger (zaba) uitrukken.

  Jahweh Zebaoth, de Here der heirscharen, is de 'God van de slag-
  orden van IsraŽl' (2sam. 7:26; vgl. Ps. 46:8;48:9). Vandaar dat de
  naam Zebaoth ook meestal met de naam Jahweh wordt verbonden, de
  naam van de Verbondsgod van IsraŽl. Wij treffen deze naam daarom op
  sommige plaatsen aan in verbinding met de ark. In 1Sam. 4:4 wordt
  bijvoorbeeld gesproken over de 'ark van het verbond des Heren der
  heirscharen (Jahweh Zebaoth), die op de cherubs troont'. De ware
  Aanvoerder van de IsraŽlieten in de strijd tegen hun vijanden is
  Jahweh Zebaoth, de Here der Heirscharen (vgl. 2Sam. 6:2).
  Het is echt opmerkelijk dat God Zich in de bijbelboeken Exodus en
  Numeri nooit Jahweh Zebaoth noemt, hoewel er in die boeken wel over
  IsraŽl als de 'heirscharen van Jahweh' wordt gesproken en hoewel de
  strijd tegen allerlei vijanden in die boeken toch een grote rol
  speelt.
  Als tweede vinden wij dan dat met het woord zaba ('heir'; let op:
  dit wordt alleen in het enkelvoud in deze betekenis gebruikt) soms
  ook de geschapen hemellichamen, de zon, de maan en de sterren
  worden bedoeld. De eerste keer vinden wij al in Gen. 2:1: 'Alzo
  werden voltooid de hemel, de aarde en al hun heir' (zaba). In dit
  vers is ook sprake van het 'heir der aarde' ('hun [heir]' slaat
  zowel terug op 'hemel' als op 'aarde'), waarmee de geschapen wezens
  op de aarde, de planten, de dieren, enz. worden aangeduid (vgl.
  Gen. 1:9-13,20-31), maar deze benaming komt verder nergens in de
  Schrift voor. Wel die van het 'heir des hemels' (vgl. Gen. 1:14-19).
  Jahweh Zebaoth is de God die al de sterren van de hemel heeft
  gemaakt. 'Zijn handen hebben de hemel uitgespannen en aan al hun
  heir (zaba) heeft Hij zijn bevelen gegeven' (Jes. 45:12). 'Gij hebt
  de hemel, de hemel der hemelen en al zijn heir (zaba) gemaakt, de
  aarde en al wat daarop is, de zeeŽn en al wat daarin is; ja, Gij
  geeft hun allen het leven, en het heir (zaba) des hemels buigt zich
  voor U neer' (Neh. 9:6; vgl. Ps. 33:6; 147:4; Jer. 10:12-16).
  Jahweh Zebaoth, de Here der heirscharen is de Schepper en de
  Gebieder van alle sterren en hemellichamen (vgl. Jes. 40:26).
  En op een woord van zijn mond worden de hemelen straks weer
  samengerold en vergaat al het heir des hemels (Jes. 34:4; vgl.
  Openb. 6:14;20:11). God had het de IsraŽlieten verboden om zich
  voor deze hemellichamen neer te buigen. Immers, Jahweh Zebaoth is
  de God die ook de sterren gemaakt heeft, en niet het schepsel maar
  de Schepper moet hiervoor de eer krijgen (Deut. 4:19, 17:3; vgl.
  29:26; 2Kon. 17:16; 21:3;23:5,11; Jer. 7:18;8:219:13;44:17,19,25;
  Ezech. 8:16; Amos 5:25-26; Zef. 1:5 en hand. 7:42,43).

  Wanneer wij nu deze aanbidding van het heir des hemels in verband
  brengen met Paulus' uitspraak dat 'dat wat de volken offeren, zij
  dat aan de demonen offeren' (1Kor. 10:20), dan komen we uit bij de
  derde betekenis van het woord zaba/zebaoth, namelijk de machten van
  de engelenwereld. Met de uitdrukking 'het ganse heir des hemels'
  kunnen ook de 'zonen Gods', de engelen worden bedoeld (zie 1Kon.
  22:19 [vgl. vs 231 'geest']= 2Kron. 18:18; vgl. met Job 1:6 vv. en
  zie ook Richt. 5:20; Jes. 24:21 en wederom Neh. 9:6). Jahweh
  Zebaoth is ook de God van de engelen. 'Looft de Here, al zijn
  heirscharen (zebaoth), gij zijn dienaren die zijn wil volbrengt'
  (Ps. 103:21; vgl. 148:2; Luk. 2:13-14). De naam Jahweh Zebaoth
  omvat veel meer dan alleen dat Jahweh de God van de legers van de
  IsraŽlieten is. Jahweh Zebaoth is de God die de algehele Heerser
  over elke macht en kracht in deze schepping is, over elk leger en
  elk volk, of het nu aard of hemels is. De absolute macht en
  heerschappij over deze schepping rust bij Hem. Legers van ontelbare
  engelen staan tot zijn beschikking. En iets van al deze majesteit
  die Hem omgeeft en kenmerkt, ligt besloten in de naam Jahweh
  Zebaoth, Here de heirscharen.
  'Ja, de Here, de Here der heirscharen (Adonaj, Jahweh Zebaoth), die
  de aarde aanroert en zij wankelt, zodat al wie erop wonen jammeren,
  en zij geheel en al oprijst als de Nijl en inzinkt als de rivier
  van Egypte; die in de hemel zijn opperzalen heeft gebouwd en zijn
  gewelf op aarde heeft gegrondvest, die het water van de zee heeft
  opgeroepen en uitgegoten over de oppervlakte de aarde - Here
  (Jahweh) is zijn naam!' (Amos 9:5-6).
  'Want zie, Hij, die de bergen formeert en de wind schept, en de
  mens te kennen geeft wat zijn overleg is; die de dageraad tot
  donkerheid maakt, en voortschrijdt over de hoogten der aarde -
  Here, God der heirscharen (Jahweh, Elohiem Zebaoth), wie is als Gij
  grootmachtig, o Here (Jahweh)?' (Ps. 89:9).
  Laten we ons voor deze God in het stof werpen en zijn grootheid en
  verhevenheid bewonderen: 'Ach Here Here (Adonai Jahweh), zie, Gij
  hebt de hemel en de aarde gemaakt door uw grote kracht en uw uitge-
  strekte arm; niets zou te wonderlijk zijn voor U, die aan duizenden
  goedertierenheid bewijst en de ongerechtigheid der vaderen in de
  boezem van hun kinderen na hen vergeldt, o grote, sterke God (El),
  wiens naam is Here de heirscharen (Jahweh Zebaoth), groot van raad
  en machtig van daad, wiens ogen open zijn voor alle wegen der
  mensenkinderen om aan een ieder te geven naar zijn wegen en naar de
  vrucht van zijn handelingen ... ' (Jer. 32:17-19).

  Met deze laatste woorden komen we toe aan een nieuwe bijzonderheid
  van de naam Jahweh Zebaoth, namelijk dat we dze naam alleen vinden
  in die boeken die over het latere verval van het volk van God
  spreken. In de vijf boeken van Mozes, Jozua, Richteren, EzechiŽl en
  de wijsheidsliteratuur wordt deze naam niet gebruikt, in 1 en 2
  Koningen, 1 en 2 Kronieken en de Psalmen slechts sporadisch, maar
  in de resterende bijbelboeken is het gebruik overweldigend. Van de
  285 maal dat we deze naam in het Oude Testament aantreffen, vinden
  we hem 11 maal in 1 en 2 SamuŽl, 62 maal in Jesaja (waarvan 56 maal
  in Jes. 1-39), 77 maal in Jeremia, 14 maal in het kleine boek
  HaggaÔ, 53 maal in Zacharia en 24 maal in Maleachi (voor Ezra,
  Nehemia en DaniŽl: zie later).
  Dit zijn juist die bijbelboeken waarin God zijn afgedwaalde volk
  weer terugroept tot Zichzelf. Misschien is dit de reden dat pas in
  het boek SamuŽl deze naam voor het eerst voorkomt. In dat bijbel-
  boek lezen we dat het volk IsraŽl een koning begeert 'om hen te
  richten en om voor hen uit te trekken en hun oorlogen te voeren',
  waarop de Here SamuŽl laat weten dat zij met deze daad 'niet u maar
  Mij hebben verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn' (1Sam.
  8:6-7,19-20). Jahweh Zebaoth, de Here der heirscharen, is de ware
  Aanvoerder van dat volk, de 'God van de slagorden van IsraŽl'
  (17:45). Hij is Degene voor Wie de hele aarde en de ganse hemel
  zich moeten neerbuigen. Jahweh Zebaoth is de Here van alle volken
  van deze aarde en kan daarom ook die andere volkeren naar IsraŽl
  sturen om hen te tuchtigenof om ze zelf te straffen (Jes. 10:16;
  vgl. vs. 5-14; 13:3-5; Amos 6:14). Hij is de God die in zijn
  regering van deze aarde er Zelf zorg voor draagt dat zijn plannen
  uitgevoerd zullen worden. Dwars door alle verzet en weerstand bij
  de mensen heen is Hij toch de Heer van alle hemelse en aardse
  legermachten en zal Hij zijn doel bereiken. Als IsraŽl ontrouw is,
  Hij blijft getrouw aan Zichzelf! (2Tim. 2:13)

  Als het verval te erg geworden is (de bijbelboeken Ezra, Nehemia en
  DaniŽl), dan noemt God Zich niet meer 'Jahweh Zebaoth' maar de 'God
  van de hemel'. Deze naam bevat nog duidelijker dan de naam 'Jahweh
  Zebaoth', Here der heirscharen, het aspect van Gods verheven zijn
  boven zijn schepping. God is geen God die door de mensen 'van de
  wijs gebracht' kan worden. Hij is soeverein.
  Niemand kan zijn plannen dwarsbomen. Maar het kan wel zijn dat God
  in zijn regering van deze aarde in zekere zin voor een zekere tijd
  zijn handen van de aarde afhoudten Zich in de hemel 'terugtrekt',
  daarbij het bestuur van deze aarde overlatend in de handen van de
  heersers over de grote wereldrijken. Dit ligt min of meer besloten
  in de titel: 'God van de hemel' (vgl. 2Kron. 36:23; Ezra 1:2,
  5:11-12; 6:9-10; 7:12,21.23 (2x); Neh. 1:4-5; 2:4,20; Dan. 2:18-19,
  [28],37,44; Openb. 11:13; 16:11; vgl. ook Gen. 24:3,7; Ps. 136:26
  en Jona 1:9 voor een iets minder uitgewerkte betekenis van deze
  naam). De 'God van de hemel' is de God die de hemel heeft gemaakt
  (Gen. 1:1; 2Kron. 2:12; Ps. 115:15), die in de hemel woont (Deut.
  4:39; 1Kron. 8:30,39,43,49; Pred. 5:1) en die op grond van die
  positie alle rechten op deze aarde heeft (Jes. 66:1).
  Wanneer God Zich de God van de hemel noemt, is zijn relatie met
  IsraŽl verbroken. Maar wanneer Hij Zich Jahweh Zebaoth noemt,
  erkent Hij in zekere zin nog steeds een relatie met zijn aardse
  volk. (vgl. in dit licht de twee nieuwtestamentische teksten met
  deze naam: Rom. 9:29 en aan het volk IsraŽl gerichte Jakobusbrief,
  hfst. 5:4). Ondanks de puinhopen van het aardse getuigenis is
  Jahweh Zebaoth tůch Degene die zijn plan van zegen voor IsraŽl ten
  uitvoer zal brengen (Hag. 2:7-10). Hij heeft een recht op IsraŽl en
  dat maakt Hij bekend aan alle volken van deze aarde. 'Want de Here
  der heirscharen (Jahweh Zebaoth) zal koning zijn op de berg Sion'
  (Jes. 24:23; vgl. 6:5; Ps. 24:7-10), en ook Hij alleen is 'God over
  alle koninkrijken der aarde' (Jes. 37:16; vgl. 54:5; Zach. 14:16
  [vgl. vs. 9]). En om dat doel te bereiken zal Hij in zijn regering
  ook oordelen over deze aarde moeten brengen (Jes. 13:4; 29:6; 31:4;
  51:15, e.a.p.).

  Alleen deze God is het waard gevreesd te worden. 'De Here der
  heirscharen (Jahweh Zebaoth), Hťm zult gij heilig achten en Hij
  moet het voorwerp van uw vrees en Hij moet het voorwerp van uw
  schrik zijn' (Jes. 8:13). Hem alleen moeten wij het 'heilig,
  heilig, heilig' toeroepen (Jes. 6:3). Maar het is tegelijkertijd
  ook mooi om te zien dat de eerste maal dat we de naam Jahweh
  Zebaoth in de Bijbel aantreffen, dit niet in verband met vrees voor
  zijn majesteit staat, maar genoemd wordt in verband met aanbidding.
  De Here der heirscharen zag niet naar de offers van de goddeloze
  priesters Hofni en Pinehas, maar Hij luisterde wel naar de stem van
  Elkana en zijn vrouw Hanna, als zij jaarlijks optrokken naar Silo
  om Hem daar te aanbidden (1Sam. 1:3 [vgl. vs. 17]).
  De Here der heirscharen kent degenen die Hem tarten, maar Hij weet
  ook wie er onder de aardse en de hemelse legermachten zijn die zijn
  gezag erkennen en bewonderen.

  Tot slot rest ons nog om te wijzen op Hem die Zich in het Nieuwe
  Testament als de 'Here der heirscharen' openbaart: de Heer Jezus.
  De 'vorst van het heir des Heren' (Jos. 5:14) was 'vlees geworden'
  en tot zijn volk gekomen (Joh. 1:14). Ja, 'zijn' volk (Matth. 1:21),
  want Jezus Christus is de ware Koning, de ware Heerser, en Gebieder
  van de legerscharen IsraŽls (vgl.Micha 5:1; Matth. 8:8-9). Zo is
  Hij ook de ware Heer van de hele schepping, want Hij 'draagt alle
  dingen door het woord van zijn kracht' (Hebr. 1:3).
  Hij is het die beveelt wat straks met de hemel en de aarde moet
  gebeuren (vgl. hebr. 1:12 [vgl. dit met Jes. 34:4] en zie ook
  Openb. 10:1-2). Hij is Degene die gediend wordt door de hemelse
  legermachten, de engelen (Marc. 1:13) en die zij aanbidden (Hebr.
  1:6; vgl. Luk. 2:13-14). Want Hij is het die het bevel voert over
  al die hemelse legioenen (Matth. 26:53; vgl. 2Thess. 1:7). Hij is
  het ook die we moeten vrezen en heilig moeten achten! (vgl. Jes.
  8:13-14 met Rom. 9:32-33). Alle legers in de hemel en op de aarde
  ressorteren uiteindelijk onder zijn gezag, want Hij is de 'Koning
  der koningen en de Heer der heren' (Openb. 19:14,16).
  Hemel en aarde staan ten dienste van Hem 'wiens naam over ons is
  uitgeroepen, Here, God der heirscharen' (Jer. 15;16). Laten wij,
  met Elkana en Hanna, en met de engelen van God, ons ook voor Hem
  neerbuigen en Hem aanbidden!


Uit " Bode van het Heil in Christus"
Voor meer info medema@pi.net
Naar Namen van God, El Olaam (9)
Make your own free website on Tripod.com